Welcome to the Interactive Intelligence Group

The Interactive Intelligence group aims to engineer empathy. To achieve this aim we combine research from different fields:

Event


Symposium on Virtual Reality and Physiological Measurements for Training and Therapy To exchange scientific knowledge about the current state-of-the-art between academia, industry and society.



In therapy with avatars


Combating phobias and psychotic disorders using virtual technology. This is what the work of TU Delft researcher Willem-Paul Brinkman involves. In the latest edition of Delft Outlook, TU Delft’s science magazine, Brinkman shows how this method can provide solutions for such problems as fear of flying and, in the longer term, possibly also for social disorders.

In therapy with avatars - NOS Journaal op 3, 3 mei 2011.

Looking for participants!




Several projects at the Interactive Intelligence Group are looking for participants. For more information look here.



iCare video contest for young people about Care & Technology & Community


The Health Experience Group (part of II) is currently running a video contest for young people aged between 16 and 25 in the region Haaglanden with the theme "Zorg & Techniek & Wijk". The idea is to collect videos about how senior citizens use technology for daily activities (e.g. skyping with grandkids), care, or how younger people support the care of senior citizens. This footage will be used to inspire the HEX Groups research on designing technologies providing care & services to seniors. Furthermore, we would like to use these great examples as inspiration for other seniors to start using current technologies, such as social media.
To participate simply grab you smartphone and shoot a short video about you and/or a senior using technology or engaging in collaborative activities. Upload your video to Youtube and submit the link via our website. The winners will be announced and receive their price (e.g. an iPad mini) at a TOP event in March.


News



Robot team collaborates with human firefighters
Dec. 11, 2014

 

pilots from the Italian Firebrigade assess the use of UAVs

Author: Joachim de Greeff

The EU FT7 TRADR project’s aim is to build a team of robots that can collaborate seamlessly with human firefighters in a first-response disaster scenario, for instance after an earthquake or a fire such as the one at Chemie-Pack in Moerdijk on 5 januari 2011. Particularly for areas that are potentially dangerous for humans to enter, the use of robots can be of an asset.

The TRADR project uses both unmanned aerial vehicles (UAV) and unmanned ground vehicles (UGV); UAVs can provide quick exploration and high-level overview, while UGVs are designed to traverse piles of rubble and are equipped with a robotic arm to take samples. Three Dutch partners are involved in the project: Delft University of Technology is responsible for human-robot teaming, TNO Soesterberg is involved in user-modelling and the Gezamenlijke Brandweer Rotterdam participates as end-users to test the systems. In addition, there are 6 academic partners 2 fire-brigades and 1 industrial partner from various European countries. The project started in November 2013.

controlling the UGV

Fundamental to the TRADR project are the yearly evaluations with end-users (firefighters). This process of incremental development and testing in the field ensures the creation of systems that are actually useful in real-life situations. Close collaboration with people who will ultimately use the system is considered paramount: they provide valuable guidelines for design and evaluation criteria for testing. Towards this end, each year TRADR organises a joint exercise featuring a disaster scenario (typically, exploration of an earthquake site) during which the current system is tested and evaluated. In the first year we started with a single sortie, single robot scenario: the objective is to explore the area, take some photo’s and gain situation awareness. Over the course of the 4-year project the scenarios will gradually grow more complex with multiple robots over multiple sorties.

From September 23rd to October 2nd 2014 the first TRADR Joint Exercise (T-JEx) took place at an old hospital near Pisa, Italy, in cooperation with the TRADR partners and the firefighters from the Firebrigade of Pisa. The first week consisted of an elaborate system test, during which subsystem were integrated into a unified TRADR system. Different components controlling the UAVs, UGVs, network structures, databases and various user interface devices – such as a large touchscreen table and mobile tablets – were connected and tested. In parallel, workshops with firefighters were organized, to identify their specific needs and to assess their values.

During the second week the team moved to the actual exercise site, which was the old American hospital of Calambrone. Here the TRADR system was deployed again, and a series of exercises were run with the end-users. Part of these exercises consisted of swapping different teams of firefighters, during which the TRADR system provided situation awareness support to bring the new team quickly up to speed. In addition, trained pilots from the Italian Firebrigade assessed the usage of UAVs .

The T-JEx was considered a success. Shortcomings in the systems were identified, numerous valuable lessons were learned and the interaction with end-users proved to be both insightful and inspirational. The team collected a wealth of data that is currently being analyzed towards the creation of an improved TRADR system for the next evaluation exercise in summer 2015.

Joachim de Greeff Postdoctoral researcher on the TRADR project

 

 

 

 

Birna van Riemsdijk ontvangt de Nederlandse Prijs voor ICT-onderzoek 2014
Oct. 21, 2014

riemsdijk

De ICT-prijs wordt jaarlijks uitgereikt aan een wetenschappelijk onderzoeker, niet ouder dan veertig jaar, die vernieuwend onderzoek heeft verricht of verantwoordelijk is voor een wetenschappelijke doorbraak in de ICT. De Nederlandse Prijs voor ICT-onderzoek 2014 van EUR 50.000,- gaat naar dr. Birna van Riemsdijk (TU Delft). Voor de derde keer gaat de prijs, die sinds 2010 wordt uitgereikt, naar een vrouwelijke onderzoeker. Informatica-onderzoeker Van Riemsdijk ontving eerder dit jaar een Vidi voor haar onderzoek naar slimme software die zich aanpast aan normen en waarden van gebruikers. De ICT-prijs zal aan Van Riemsdijk worden uitgereikt tijdens ICT.OPEN 2015 event, op 24 maart 2015.

Meer informatie: www.nwo.nl/nederlandse-prijs-voor-ict-onderzoek-2014.

 

bron: IO-Magazine, september 2014.

 

 

 

 

Doorslaan naar te veel vrouwen is ook niet goed
Oct. 21, 2014

catholijnartos

Catholijn Jonker (1967) is hoogleraar Interactive Intelligence aan de Technische Universiteit Delft. Ze is gepromoveerd in Utrecht en werkte in Bern, Amsterdam (VU) en Nijmegen. In 2005 en 2006 was ze voorzitter van De Jonge Akademie van de KNAW. Jonker ontving in 2007 een Vici van NWO om een ‘zakonderhandelaar’ te ontwikkelen. Sinds september 2013 is ze voorzitter van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren.

 

Onderhandelen

‘Ik ben geinteresseerd in programma’s met een toepassing. Die programma’s moeten vaak met andere programma’s samenwerken. Daar komt agent technology bij kijken. Een agent onderhandelt met mensen of met andere programma’s of apps. Mijn agents zoeken naar win-winoplossingen.

Als we bijvoorbeeld alleen kijken naar de som van de opbrengsten, dan kunnen drie partijen een deel krijgen en de vierde partij niets. Dat is onwenselijk uit oogpunt van ‘social welfare’. Het is moeilijk om er precies achter te komen wat elke onderhandelaar wil. Gelukkig hoeft dat ook niet altijd. Als iemand zegt dat ze rood mooier vindt dan blauw, dan hoeven mijn agents niet per se te weten of dat 2x mooier is of 3x. In de toekomst gaan agents steeds meer gelijkwaardig samenwerken met mensen. Software wordt dan onderdeel van het team. Net als bij normale collega’s moet de agent dan inspelen op ieders sterktes en zwaktes. De agent moet die van zijn collega’s ontdekken en de collega’s die van de agent.’

Normen en waarden

Binnen het ICT-onderzoek worden normen en waarden steeds belangrijker. Neem de monitorsystemen waardoor ouderen langer in hun eigen huis kunnen blijven wonen. Wat als iemand ervan houdt om naakt door zijn huis te lopen? Als ICT-onderzoekers moeten we ons afvragen of we dat wel willen of mogen zien. Of wat als mijn agent op camerabeelden ziet dat de visite in laden en kasten zoekt naar geld? Moet de agent dan in actie komen?’

Multidisciplinair

Ik pleit voor een goede balans tussen monodisciplinair en multidisciplinair onderzoek. Natuurlijk begrijp ik dat veel huidige problemen om multidisciplinaire oplossingen vragen. Maar je hebt ook specialisten nodig die ergens diep in duiken en tot nieuwe inzichten komen. Zij brengen een discipline verder. Ik voel veel voor de werkwijze van onderzoeksfinancier STW. In door STW gefinancierd onderzoek werken specialisten uit verschillende disciplines samen en kijken bedrijven mee. Zo krijg je het beste uit drie werelden. Verder heb ik mijn twijfels bij de nadruk op cofinanciering door bedrijven. Ik denk dat we grote bedrijven te veel bevoordelen. Steeds vaker moeten bedrijven namelijk flink wat geld op tafel leggen als ze samen met universiteiten onderzoek willen doen. Dat is vooral voor kleine bedrijven een probleem. Ik zou het systeem meer naar draagkracht instellen.’

Diversiteit

Ik ben een groot voorstander van diversiteit. Als ik minister zou zijn dan zou ik daarop meer sturen door bijvoorbeeld financiering inhouden of bewaren. Een universiteit, opleiding of vakgebied krijgt dan een deel van het geld pas als ze hun zaken op orde hebben. Of ze krijgen geld om hun zaken op orde te brengen. Dan moet je natuurlijk wel uitvoerbare eisen stellen. Dus in technische vakgebieden hanteer je dan andere streefcijfers dan in de psychologie of in de geneeskunde. Doorslaan naar te veel vrouwen is ook niet goed. Ik hanteer de vuistregel dat er op alle niveaus minstens veertig procent vrouwen en minstens veertig procent mannen in een organisatie moeten zijn.’

 

Meer informatie

http://ii.tudelft.nl/~catholijn/

 

bron:  David Redeker, IO Magazine, september 2014.

 

 

 

 

 

Marieke Peeters promoveerde op 5 juni 2014 op het onderwerp ‘Scenario-gebaseerde training ondersteund door Intelligent Agents’. Ze werkte als onderzoeker drie dagen in de week bij TNO op de afdeling ‘Training and Performance Innovations’.
Oct. 21, 2014

MariekePeeters

Waar ging je promotieonderzoek over?

‘Het onderzoek dat ik de afgelopen vier jaar heb gedaan ging over virtuele trainingen voor Eerste Hulp Bij Ongelukken. Ik wilde onderzoeken hoe de voorbereidings- tijd van scenario-gebaseerde trainingen kan worden gereduceerd en hoe het aantal oefenmogelijkheden kan worden vergroot door gebruik te maken van Intelligente Agenten.’

Wat maakte het onderzoek bijzonder?

‘De samenwerking tussen mens en machine vind ik interessant. We hebben gekeken hoe we het leersysteem hybride kunnen maken door gebruik te maken van een Multi-Agent Organisatie die het toelaat dat mensen én intelligente agenten taken binnen de organisatie op zich nemen. We hebben verschillende rollen in het trainings- proces geïdentificeerd, zoals een virtueel non-player karakter (bijv. het slachtoffer of een omstander), een prestatie-beoordelaar, een scenario-schrijver, etc. Vervolgens hebben we voor elk van deze rollen een intelli- gente agent ontwikkeld die deze rol automatisch zou kunnen uitvoeren. Dit biedt de instructeur de mogelijkheid om delen van zijn taak te laten uitvoeren door zo’n agent en andere taken zelf op zich te nemen.’

Wat vind je een positief resultaat?

‘Het wordt mogelijk om in te spelen op de handelingen van de trainees en gebeurtenissen tijdens scenario-gebaseerde trainingen. Daarnaast kun je veelvuldiger trainingsmogelijk- heden aanbieden, omdat je minder afhankelijk bent van de aanwezigheid van de instructeur. De instructeur kan de training namelijk ook vooraf klaarzetten en vervolgens afwezig zijn tijdens de oefening zelf.’

Waar ben je minder tevreden over?

We vonden het belangrijk om op systematische wijze elke losse stap binnen het automatiseringsproces te onderzoeken en te toetsen. Hierdoor hadden we echter tegen het eind helaas geen tijd meer om het langetermijneffect empirisch aan te tonen. Het voelt als niet af. Dat vind ik nog steeds jammer en daarom ga ik er financiering voor zoeken.’

Wat was je persoonlijke uitdaging?

‘Het was voor mij ook een leerzame ervaring om vier jonge masterstudenten te begeleiden. Daardoor heb ik meer inzicht gekregen in het bijbrengen en sturen van het onderzoek waardoor ik weer meer inzicht kreeg in het proces van mijn eigen begeleiding.’

Gaat de kennis ook benut worden?

‘Bij TNO Den Haag kijken ze momenteel naar de wijze waarop instructeurs gebruik maken van geprepareerde scenario’s in een game-omgeving. Onze ideeën blijken daar deels herbruikbaar te zijn om ervoor te zorgen dat de achterliggende leerdoelen van zo’n scenario ook inzichtelijk worden voor de instructeurs. Het zou ook geschikt moeten zijn voor andere domeinen, zoals bijvoorbeeld marechaussee, brandweer, politie, maar ook de marine, landmacht en luchtvaart. Maar daarvoor is meer onderzoek nodig.’

Hoe ging je promotie?

‘Ik herinner me dat ik voorafgaand aan de verdedigingsceremonie instructies kreeg over hoe we moesten lopen, blijven staan of buigen, etcetera maar door mijn zenuwen deed ik vervolgens zo’n beetje alles verkeerd, zoals: in één keer naar binnen lopen terwijl ik moest wachten tot de commissie ging zitten en doorlopen naar mijn plekje zonder tussendoor de commissie te groeten. Gelukkig ging de verdediging zelf wel goed.’

Wat zijn je plannen?

‘Ik blijf onderzoeken! Tot mei 2015 ga ik verder onderzoek doen naar de samenwerking tussen mensen en machines als postdoc bij de groep ‘Interactive Intelligence’ van prof. Catholijn Jonker bij de TU Delft, op het project Military Human Enhancement. Dit project wordt gefinancierd door NWO. Daarna wil ik voor mijn CV buitenlandervaring opdoen om uiteindelijk zelf een onderzoekslijn op te starten. Ik hink tussen mens-machine- interactie en educational technology. Het interdisciplinaire gebied dat er tussen ligt lijkt me interessant.’

Meer informatie Military Human Enhancement:

www.nwo.nl/onderzoek-en-resultaten/onderzoeksprojecten/ 45/2300162145.html

 

bron:  Marion van Oeveren, IO-magazine, september 2014.

 

 

 

 

 

Vidi-winnaars kijken terug en vooruit
Aug. 05, 2014

vidi

Door Edith van Gameren

Birna van Riemsdijk hoorde half mei dat haar een Vidi-subsidie is toegekend. Peter Grünwald verkeerde precies tien jaar geleden in die gelukkige omstandigheid. Wat heeft de Vidi hem gebracht? Wat zijn de plannen van Van Riemsdijk?

We hebben afgesproken in een grand café in Leiden. Mooi tussen Delft – waar Birna van Riemsdijk doceert aan de TU – en Amsterdam – waar Peter Grünwald een onder- zoeksgroep leidt binnen het CWI. De twee informatici kennen elkaar niet maar er ontstaat meteen een geanimeerd gesprek. De Vidi is wat hen bindt. Tien jaar geleden kreeg Peter Grünwald een Vidi voor zijn onderzoek naar de kwaliteit van modellen, een onderwerp op het raakvlak van informatica, statistiek en wiskunde. Van Riemsdijk loopt nog steeds op wolkjes, zij hoorde een week geleden dat aan haar een Vidi was toegekend voor haar onderzoek naar slimme software die zich aanpast aan normen en waarden van gebruikers. De subsidie opent allerlei deuren voor haar en ze is er dan ook dolblij mee. Grünwald verkeerde tien jaar geleden in dezelfde positie.

In een interview met I/O maakte hij destijds een grapje over het ‘Mattheuseffect’, het verschijnsel dat wie al iets heeft, eenvoudig meer krijgt. ‘Dat is volledig uitgekomen’, concludeert hij. ‘Tien jaar terug had ik niet eens een vaste aanstelling, en daar was ik behoorlijk over gefrustreerd. Ik kreeg aanbiedingen uit Engeland en de VS en stond eigenlijk op het punt om te gaan. Toen kreeg ik die Vidi én een vaste baan, ik kon mijn onderzoek gaan doen. Ik ging me daarnaast bezighouden met de zaak Lucia de Berk, dat leverde veel publiciteit op. In 2008 werd ik hoogleraar.
In 2010 kreeg ik de Van Dantzig Prijs voor de beste Nederlandse onderzoeker in statistiek of operations research én een Vici.’
Van Riemsdijk staat nu op dat punt dat er allerlei deuren opengaan. ‘Het is nog een bizar gevoel’, zegt ze. ‘Ik heb dit vijf jaar geleden als stip op de horizon gezet en ik heb er alles aan gedaan om dit te bereiken. Nu kan ik uitademen en de dingen gaan doen die ik het allerliefste doe.’ Het onderzoek gaat over software die zich aanpast aan de normen en waarden van mensen. Dit wordt steeds belangrijker naar- mate technologie meer verweven raakt met ons dagelijks leven. Ze geeft GPS-tracking als voorbeeld. ‘Je kunt in principe 24/7 zien waar iemand is, bijvoorbeeld een dementerende patiënt. Dat is goed voor het gevoel van veiligheid, maar schaadt ook normen rond privacy en vrijheid. We zouden willen dat de technologie zich aanpast aan wat je als norm afspreekt. Pas als de norm geschonden wordt, moet er wat gebeuren. De fundamentele vraag is in hoeverre de software kan garanderen dat aan een norm voldaan wordt. Dit is niet vanzelfsprekend: In de sociale context zitten famielieleden, verzorgers. Hun normen kunnen conflicteren. Er kunnen ook uitzonderingen optreden, stel dat de verbinding bijvoorbeeld wegvalt.
De software moet daarover redeneren. Ik gebruik technieken uit de theoretische informatica om dit precies te specificeren. Vrij fundamenteel onderzoek en dat vind ik heel belangrijk; op langere termijn levert het meer op.’ Grünwald is het daarmee eens en benadrukt in dat kader de ‘luxe’ van de Vidi. ‘Het is fijn om van de druk verlost te zijn om voortdurend te moeten scoren. De wetenschap is hijgerig geworden. Mijn eigen onderzoek was ook vrij fundamenteel. Statistiek is gebaseerd op werken met modellen. Ik wilde een theorie ontwikkelen die ingaat op de vraag wanneer je nou wel of niet kunt werken met modellen die niet helemaal kloppen. Het belangrijkste dat daaruit is gekomen is wellicht de ontdekking van het ‘catch-up fenomeen’, waarbij we lieten zien dat, als modellen niet precies kloppen, standaard statistische methoden vaak pas tot goede conclusies leiden als er veel méér data beschikbaar is dan strikt nodig. Dankzij een aanpassing van die methoden, kunnen we meer doen met minder data.’

‘Als Vidi is het fijn om van de druk verlost te zijn om voortdurend te moeten scoren’

In het interview tien jaar geleden, merkte een van de andere Vidi-winnaars van 2004 op dat multidisciplinair onderzoek moeilijk te ‘verkopen’ is. ‘Dat is nog steeds moeilijk’, zegt Grünwald, ‘maar ik denk dat NWO daarin weinig te verwijten valt, ik denk dat ze doen wat ze kunnen, bijvoorbeeld met de gebiedsbrede commissies. De wetenschap is groot en je ontkomt niet aan het opdelen in hokjes.’ ‘Samenwerken met andere disciplines is wel ontzettend leuk’, zegt Van Riemsdijk. ‘Ik ga in mijn Vidi-project samenwerken met ethici: enorm inspirerend. Dankzij hen ligt “Privacy in Context” op mijn nachtkastje. En ik ben projectleider van het multidisciplinaire ICT-project SHINE waarin we met watermanagement samenwerken. Interessant voor beide disciplines en voor mij een goede oefening in leidinggeven.’
Van Riemsdijk start nu met de concrete invulling van haar project en het aannemen van onderzoekers. ‘Wacht er niet te lang mee’, adviseert Grünwald. ‘Je wilt de beste mensen. Een goede afstudeerder is de beste sollicitant. Raadpleeg ook anderen, voordat je iemand aanneemt. Ik ben weleens iets te veel alleen op mijn eigen intuïtie afgegaan. Verder kom je tijdens je onderzoek soms tot de conclusie dat je op een iets ander vlak een doorbraak kunt bereiken. NWO geeft daarin gelukkig veel vrijheid. Maak daar gebruik van, het gaat er uiteindelijk om dat je goed onderzoek doet.’
Tien jaar geleden merkte Grünwald op dat het nerdy imago van informatica wellicht een reden was dat er minder Veni’s, Vidi’s of Vici’s werden toegekend. ‘Daar sta ik nog steeds achter’, zegt Grünwald. ‘Het imago ís nerdy. Het verschil is alleen dat we nu allemaal nerds zijn geworden. Iedereen is voortdurend bezig met smartphones en iedereen ziet het belang in van data, het is hip geworden. Ook de Bèta- wetenschappen in het algemeen hebben een veel hipper imago.’ De informatica is nog steeds een wereld met overwegend mannen, maar Van Riemsdijk ziet meer balans ontstaan. ‘Toen ik in Delft begon in 2008 was ik de enige vrouwelijke UD bij informatica, nu zijn er negen. Ik ben heel blij dat ik de Vidi heb gekregen, niet alleen voor mijn eigen onderzoek maar ook om te laten zien dat informatica en een carrière in de wetenschap voor mannen en vrouwen is. Ik hoop dat het over tien jaar geen uitzondering meer is om een vrouwelijke hoogleraar informatica tegen te komen.’

Tips van de winnaars
Vertrouw op je eigen kwaliteiten, zorg dat je je doelen helder hebt en laat je niet intimideren door sterke concurrenten’, adviseren Van Riemsdijk en Grünwald collega’s. ‘En zorg voor een netwerk van mensen waar je terechtkunt voor steun, inhoudelijk, maar vooral ook mentaal, zegt Van Riemsdijk. ‘Ik heb enorm veel gehad aan mijn baas en collega’s.’ Grünwald: ‘Je vraagt en krijgt advies van heel veel mensen. Maar uiteindelijk moet je toch zelf knopen doorhakken. Even afstand nemen is dan heel belangrijk en op je eigen intuïtie vertrouwen. Soms moet je brutaal of tegendraads zijn.’

Meer informatie
Birna van Riemsdijk: http://ii.tudelft.nl/~birna/
Peter Grünwald: http://homepages.cwi.nl/~pdg/

Vidi’s 2014
Naast Van Riemsdijk ontvingen ook de volgende informatici een Vidi:
– Joris Mooij, UvA – Instituut voor Informatica, voor zijn onderzoek Causal inference: theory for applications.
– Shimon Whiteson, UVA – Informatica, voor zijn onderzoek Coevolution Policy Search.
– Alexander Leemans, UMCU – Image Sciences Institute, voor zijn onderzoek Diffusion MRI analysis beyond connectography.

Bron:  I/O Magazine juni 2014.

Winner Negotiation Game
Jun. 03, 2014

nego_game

We organized a negotiation game, which has been held in AI course and SIKS tutorial.  According to the negotiation results,  Bas Dado is the winner of this game. We thank every participants for their help in evaluating the bidding phase of the pocket negotiator.

For more information, see: We organized a negotiation game, which has been held in AI course and SIKS tutorial.  According to the negotiation results,  Bas Dado is the winner of this game. We thank every participants for their help in evaluating the bidding phase of the pocket negotiator.

For more information, see: http://ii.tudelft.nl/negotiation/index.php/Pocket_Negotiator

 

 

 

 

 

 

 

IT helpt onderhandelaar
Apr. 09, 2014

Welke bijdrage kan IT leveren aan onderhandelingen? In zijn scriptie onderzocht Mark Hendrikx ‘tegenstandermodellen': leertechnieken die automatische onderhandelaars toepassen om de intenties van de tegenstander in te schatten.

info
Onderhandelen vormt in het dagelijks leven een belangrijk onderdeel van besluitvorming. Onderhandelen gebeurt op verschillende schalen: van de aankoop van een auto, tot de fusie tussen multinationals. Verschillende disciplines hebben onderzoek gedaan naar onderhandelen, waaronder (sociale) psychologie, speltheorie en kunstmatige intelligentie. Binnen de kunstmatige intelligentie is het afgelopen decennium onderzocht of het mogelijk is om complexe onderhandelingen uit te laten voeren door computers. Hierbij worden één of meer partijen vervangen door een automatische onderhandelingsstrategie, een strategie die onderhandelt op basis van de preferenties van uitkomsten die door de gebruiker zijn gespecificeerd. Dit biedt een aantal voordelen, waaronder kostenreductie door automatisering, betere resultaten door intelligentere biedingen, en het verminderen van sociale confrontatie.
Hoewel is aangetoond dat computers een positieve bijdrage kunnen leveren, zijn er nog verschillende uitdagingen. Een belangrijk probleem is dat in een onderhandeling de partijen vaak zo min mogelijk informatie uitwisselen (om exploitatie te voorkomen), hoewel het delen van informatie kan leiden tot een overeenkomst die voor alle partijen voordelig is. Een oplossing hiervoor is het gebruik van een mediator, maar dit is niet altijd mogelijk of wenselijk; de onpartijdigheid van een mediator is namelijk niet altijd te garanderen.
In mijn scriptie ‘Evaluating the Quality of Opponent Models in Automated Bilateral Negotiations’ behandel ik het fenomeen ‘tegenstandermodellen': dit zijn leertechnieken die worden toegepast door automatische onderhandelaars om de intenties van de tegenstander in te schatten. Ik beschouw verschillende typen leertechnieken, waaronder technieken die voorspellen wat voor biedingen de tegenstander gaat maken. Ik leg de nadruk op leertechnieken die op basis van de biedingshistorie schatten hoe aantrekkelijk een bod is voor de tegenstander, zogenaamde preferentiemodellen. Deze modellen kunnen helpen bij het maken van biedingen die interessant zijn voor alle partijen.
Mijn werk draagt op vier vlakken bij aan het onderzoeksveld. Ten eerste classificeer ik bestaande leertechnieken in een compacte taxonomie en geef ik een overzicht van de status van het onderzoeksveld. Ten tweede heb ik bijgedragen aan de ontwikkeling van een architectuur om de componenten van een onderhandelingsstrategie onafhankelijk te bestuderen. Ten derde heb ik deze architectuur toegepast om de kwaliteit van geavanceerde modellen te vergelijken. Tot slot heb ik meegewerkt aan de ontwikkeling van een onderhandelingsstrategie, die meerdere prijzen heeft gewonnen in een internationale onderhandelingscompetitie.

fig2

Vier componenten
De scriptie betreft leertechnieken die van toepassing zijn op onderhandelingen met twee deelnemende partijen. Formeel gezien bestaat een onderhandeling uit vier typen componenten (figuur 1): het domein, de agents, het protocol, en de preferentieprofielen.
Het domein formaliseert over welke onderwerpen er wordt onderhandeld, bijvoorbeeld de kleur en prijs van een tweedehands auto. De agents zijn de entiteiten die onderhandelen door acties uit te voeren. Een agent kan zowel een mens zijn als artificieel. De mogelijke acties − zoals het uitbrengen of accepteren van een bod – zijn vastgelegd in het protocol. Het protocol beschrijft ook hoe de agents de acties uitwisselen, bijvoorbeeld alternerend. Het preferentieprofiel van een agent beschrijft zijn preferentie van de mogelijke biedingen. De uitdaging ligt in het feit dat een agent niet op de hoogte is van de preferenties en de toekomstige acties van zijn tegenstander.
Een groot aantal modellen werd ontwikkeld om de preferenties van de tegenstander te schatten op basis van de acties van de tegenstander. Deze modellen zijn echter in isolatie ontwikkeld, voor verschillende protocollen ontworpen en op verschillende manieren geëvalueerd. Het gevolg is dat het onduidelijk is hoe betrouwbaar de modellen zijn en hoe de prestaties met elkaar te vergelijken zijn. Voor de ontwikkeling van nieuwe onderhandelingsstrategieën heeft dit tot gevolg dat het onduidelijk is welke leertechniek tot het beste resultaat leidt. Betrouwbare informatie over de kwaliteit van een leertechniek is essentieel: een inaccuraat model kan leiden tot slechte prestaties.
Het kwantificeren van de kwaliteit van een onderhandelingsmodel is complex, omdat het model één onderdeel vormt van de complete strategie van een agent. Een model kan bijvoorbeeld zeer accuraat zijn, maar desondanks nauwelijks leiden tot een verbetering in prestatie omdat de agent het model slecht benut. Een betrouwbare meetmethode moet dus de potentiele meerwaarde van de toepassing van een model meten, evenals de accuraatheid van het model wat betreft de representatie van de tegenstander. In mijn scriptie ga ik in op de leertechnieken die worden toegepast door de agents om de preferenties van de tegenstander te leren, zogenaamde preferentiemodellen. Hiervoor maak ik gebruik van de agents die deelnamen aan de Automated Negotiation Agents Competition (ANAC), een jaarlijkse competitie waarin artificiële onderhandelaars strijden op verschillende onderhandelingsdomeinen die vooraf onbekend zijn. De agents zijn ontwikkeld voor Genius, een onderhandelingssimulator die wordt toegepast door verschillende academische instellingen. De reden om voor de ANAC-agents te kiezen, is dat ze zijn ontwikkeld voor een vergelijkbaar protocol en dat ze een goede representatie zijn van de status van het onderzoeksveld.

foto
Preferentiemodel isoleren
Om de kwaliteit van de leertechnieken voor het leren van de preferenties van de tegenstander te vergelijken dienen deze eerst geïsoleerd te worden van de onderhandelingsstrategieën. Om dit te bereiken droeg ik bij aan de ontwikkeling en implementatie van de BOA-architectuur voor de Genius-onderhandelingssimulator. Het onderliggende idee van deze architectuur is een onderhandelingsstrategie te beschouwen als een verzameling van componenten met een specifie ke taak die samenwerken.
De BOA-architectuur splitst een onderhandelingsstrategie op in drie componenten (figuur 2): het preferentiemodel, de biedingsstrategie, en de acceptatiestrategie. Voor deze indeling is gekozen omdat elke aan de ANAC deelnemende agent bestaat uit een biedingsen acceptatiestrategie en vaak gebruik maakt van een preferen tiemodel. Het preferentiemodel modelleert de voorkeur van de tegenstander wat betreft de mogelijke uitkomsten van de onderhandeling. Dit model wordt na elk bod van de tegenstander bijgewerkt. Het model kan door de bieden acceptatiestrategie worden gebruikt om te bepalen hoeveel waarde de tegenstander hecht aan een bod. De biedingsstrategie bepaalt welk bod er mogelijk zal worden gedaan aan het eind van een ronde. De acceptatiestrategie beslist of het huidige bod van de tegenstander acceptabel is. Mocht de acceptatiestrategie besluiten dat er geen overeenkomst is, dan wordt het voorgenomen bod gepresenteerd aan de tegenstander. De reden dat de acceptatiestrategie pas na het genereren van een tegenbod beslist over het accepteren van het bod van de tegenstander, is omdat de acceptatie van het bod kan afhangen van het tegenbod.
Om een nieuwe onderhandelingsstrategie aan te maken kiest een gebruiker eenvoudig een component voor elk van de drie types. Vervolgens wordt automatisch een onderhandelingsstrategie gegenereerd.
Om te bewijzen dat de architectuur geen strenge beperkingen oplegt aan de mogelijke strategieen, zijn de componenten van de meerderheid van de ANAC-agents geïsoleerd en toegevoegd aan het archief van beschikbare componenten. Dit archief bestaat ondertussen uit meer dan honderd unieke componenten. Voor bijna elke ANAC-agent bleek dat de prestatie van de agent, die is gecreëerd door de combinaties van de oorspronkelijke agent te selecteren, statistisch vergelijkbaar is met de originele agent. Ook bleek het mogelijk te zijn om de prestatie van de BOA-architectuurvarianten van de oorspronkelijke agents te verbeteren door de acceptatiestrategie en/of het preferentiemodel van deze agents te vervangen.

Modelkwaliteit kwantificeren
Uit dit experiment is gebleken dat het mogelijk is om de prestatie van de meeste ANAC-agents te verbeteren door deze te voorzien van een alternatief preferentiemodel. Dit onderstreept het belang van inzicht in de kwaliteit van een preferentiemodel alvorens deze toe te passen.
Om de kwaliteit van de preferentiemodellen van de ANAC-agents te bepalen ontwikkelde ik twee meetmethodes. De eerste methode meet de potentiële meerwaarde van het gebruik van een model in een strategie. Het onderliggende idee van deze methode is om de prestaties van een verzameling agents te vergelijken in een wedstrijd, waarbij de agents met behulp van de BOA-architectuur steeds uitgerust worden met een ander preferentiemodel. De toepassing van deze meetmethode resulteerde voor elke preferentiemodel in een kwantificering van de meerwaarde van het gebruik van het model relatief aan andere modellen, perfecte informatie over
de tegenstander, en het gebruik van geen model. Dit leverde een aantal interessante resultaten op. Ten eerste bleek dat het gebruik van een preferentiemodel kan resulteren in een prestatieverbetering, maar dat sommige modellen verminderde prestaties tot gevolg kunnen hebben. Ten tweede leken eenvoudige modellen beter te presteren dan complexere modellen.
Om mijn conclusies te valideren, voerde ik een tweede experiment uit waarin ik de accuraatheid van de modellen bepaalde onafhankelijk van de onderhandelingsstrategie waarin deze wordt toegepast. Net als in het voorgaande experiment bleek dat de eenvoudige leertechnieken beter presteerden. Een opvallend resultaat is echter dat de accuraatheid van het merendeel van de modellen afneemt naarmate een onderhandeling vordert (figuur 3). Dit is waarschijnlijk te verklaren doordat de tegenstander later in de onderhandeling concessies maakt, en daarbij het beeld over zijn preferenties vertroebelt.
Tot slot paste ik beide meetinstrumenten tegelijkertijd toe en onderzocht ik de relatie tussen de uitkomsten. Dit laatste experiment wees uit dat hoewel de meest accurate modellen niet perfect zijn, het verder vergroten van de accuraatheid waarschijnlijk geen significante vergroting in prestatie van een strategie oplevert.

Toepassingen
Sinds de introductie van de BOA-architec tuur is deze meerdere malen toegepast in de ANAC-competitie. In 2012 behaalde de agent van Hendrikx’ team de derde plaats in de finale en een aparte prijs voor de beste prestatie op een van de hoofdonderdelen van de competitie. In 2013 eindigden twee agents ontworpen met behulp van de BOA-architectuur in de finale. Een van deze agents won zelfs de competitie. De BOA-architectuur wordt ook toegepast binnen academische instellingen. Op instellingen waaronder de Bar-Ilan University, Ben-Gurion University of the Negev, Maastricht Universiteit, en de Technische Universiteit Delft wordt de architectuur behandeld in kunstmatige-intelligentievakken. De architectuur helpt studenten bij het ontwikkelen van een strategie doordat ze zich kunnen richten op de individuele componenten. De collectie van bestaande componenten helpt de studenten bij het kritisch evalueren en verbeteren van de componenten.
In samenwerking met mijn begeleiders heb ik meerdere wetenschappelijke publicaties uitgebracht over de BOA-architectuur en preferentiemodellen. De publicatie Predicting the Performance of Opponent Models in Automated Negotiation won de prijs voor beste publicatie tijdens IAT-13: de 2013 IEEE/WIC/ACM International Conference on Intelligent Agent Technology.

fig3

Drie bijdragen
Het automatiseren van onderhandelen is een complex probleem dat wordt onderzocht binnen het onderzoeksgebied van kunstmatige intelligentie. Binnen dit vakgebied heb ik drie belangrijke bijdragen geleverd. Ten eerste heb ik bestaande leermodellen in kaart gebracht en gecategoriseerd in een compacte taxonomie. Ten tweede heb ik meegewerkt aan een architectuur waarin onderhandelingsstrategieën worden beschouwd als een verzameling van componenten. Ten derde heb ik deze architectuur toegepast om de kwaliteit te vergelijken van moderne leertechnieken die de preferenties van de tegenstander leren. Uit mijn analyse is gebleken dat een type relatief eenvoudige leertechnieken een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van onderhandelingsstrategieën, maar dat bestaande leermodellen nog wel verbeterd kunnen worden wat betreft hun accuraatheid naarmate de onderhandeling vordert.
Momenteel wordt de BOA-architectuur en de verkregen kennis over preferentiemodellen toegepast bij de ontwikkeling van nieuwe onderhandelingsstrategieën. De BOA-architectuur wordt gedoceerd binnen academische instellingen. Tevens zijn er verschillende publicaties verschenen over de BOA-architectuur en preferentiemodellen.
Ik heb met mijn werk inzicht gegeven in bestaande leertechnieken voor automatische onderhandelaars en de kwaliteit van deze modellen. Er zijn twee voor de hand liggende richtingen voor toekomstig werk. Ten eerste kan de kwaliteit van andere type leertechnieken, zoals modellen van de strategie van de tegenstander, worden bepaald. Ten tweede kan de analyse van de leertechnieken worden gebruikt om betere modellen te ontwikkelen die niet in accuraatheid afnemen naarmate de tijd vordert.

Mark Hendrikx
is een van de twee winnaars van een tweede prijs tijdens de Informatie Scriptieprijs 2013. Op dit moment ontwikkelt hij voor Cost Engineering begrotingsprogrammatuur.
E-mail: mark.hendrikx@home.nl

 

Bron: informatie /april 2014

 

 

 

 

 

Aggression detector for CCTV
Mar. 19, 2014

A smart add-on for CCTV cameras recognizes stress and aggression. Its developer Dr. Iulia Lefter says it may prioritize certain cameras to surveillance operators.

lefterhelpdesk2women_548x414

Escalating irritations in one of the trainings videos

 

It all starts when someone reports at the desk, who is already late for an important meeting. But instead of being helped, the visitor gets ignored or misunderstood. As tension rises, so do the voices. Gestures get sharper and faster. Next, someone may throw something innocent as water, but provoke the other party to escalate. For humans, it’s pretty clear that things are getting out of hand. But how do you teach a computer to read the subtleties of human, or primate, conduct.
That is the subject of Lefter’s PhD research at EEMCS faculty that was supported by the Netherlands Defence Academy, TNO and the TU. Lefter, who did her BSc. at the Transilvania University of Brasov In Rumania, graduated (with honours) at the TU in 2009 on the automatic recognition of emotions based on speech.
Dr. Gertjan Burghouts from TNO, who is on her promotion committee, is specialized in automatic video detection of human behaviour and realtime classification of activities as innocent or threatening. You can get a flavor of his work on the TNO’s IntelligentImaging Youtube page.

 Mind the gap

lefterhelpdeskman_548x415

Visitor reduced to desperation from one of the trainings videos.

 

What is unique about our work”, says Lefter, “is that we created an intermediate level of understanding.” She refers to the ‘semantic gap’ that exists between say the pitch and the loudness of a voice (low level information) and the message it conveys (high level). The same applies for tracing someone in a video image (low) and understanding his behavior (high).

Interaction between humans is a complex dual-channel affair: there is exchange of speech and body language, both of which have content (called ‘semantics’) and a tone (called ‘prosody’). “There’s a big difference between pointing like this”, Lefter explains, gradually moving her finger towards me. “Or like this”, stabbing her finger now. Metaphorically speaking, what researchers call ‘prosody’ is the tone that makes the music.

In the ‘intermediate level’ the system evaluates meaning and tone of both speech and gestures. From these, stress and aggression levels are derived. Mind you, the system cannot judge by itself – it was trained to agree as closely as possible with people who rated the training videos.

Lefter stresses that people need both image and sound to correctly evaluate stress situations. Confronted with only one channel of the training videos, people tagged more than half of the situations as ‘low aggression’. When both sight and sound were presented, only a third of the situations was still classified as low aggression. In other words: with incomplete information, people tend to underestimate aggression levels or misinterpret behaviour.

iulialefter_dsc1973_copy1_548x365
Iulia Lefter about to defend her thesis – Photo: Tomas van Dijk

 

The current smart stress sensor agrees in about 70 percent of the cases with humans. Incidents that it will typically miss out on are those that start within a social context: someone putting his feet up in the train, or a mother with a baby on her arm to whom no one offers a seat. “Most people would understand why stress could evolve from that, because they know the context.” Computers obviously don’t. Yet.
The multimodal surveillance that Lefter developed could be used to prioritize screens in a CCTV surveillance room where something seems to be happening. Operators should nonetheless stay vigilant, says Lefter, because smart as it may be, the automatic surveillance is not waterproof.
→ Iulia Lefter, Multimodal Surveillance, Behavior Analysis for Recognizing Stress and Aggression, 12 March 2014, PhD supervisors Prof. Catholijn Jonker and Prof. Leon Rothkrantz (EEMCS faculty at TU and the Netherlands Defence Academy).

bron:  Delta:  11 maart 2014 door Jos Wassink.

Troostende chatbot
Feb. 12, 2014

Chatten met de klantenservice is inmiddels heel normaal. Maar wat als ‘Eva’, ‘John’ of ‘Julia’ nu eens niet alleen onze technische problemen konden oplossen, maar ons ook emotioneel konden steunen? Die mogelijkheid onderzocht Janneke van der Zwaan in het NWO-onderzoeksprogramma Maatschappelijk verantwoord innoveren. Op 10 maart promoveert ze.

Vriendelijke chatbot Robin toont emoties door zijn gezichtsuitdrukkingen.
Vriendelijke chatbot Robin toont emoties door zijn gezichtsuitdrukkingen.

Wie overstuur, woedend of depressief is, is minder goed in staat om verstandige beslissingen te nemen en problemen op te lossen. Dat was het uitgangspunt voor het onderzoek van Janneke van der Zwaan, die binnenkort promoveert aan de Technische Universiteit Delft. Soms moet iemand eerst een begripvol luisterend oor vinden voordat hij open staat voor goed advies. Dat geldt in de virtuele wereld net zo goed als in het echte leven. Maar een empathische chatbot bestond er nog niet.

Gepeste kinderen

Van der Zwaan is deskundige op het gebied van kunstmatige intelligentie. Ze ontwikkelde een prototype van een empathische virtuele ‘buddy’ voor kinderen die worden gepest. Zijn naam is Robin. ‘Ik was vooral geïnteresseerd in de effecten van het uiterlijk en gedrag van Robin op zijn gesprekspartners,’ zegt Van der Zwaan. ‘Daarom het ik het programma erachter heel simpel gehouden. Ik werk bijvoorbeeld met multiple choice antwoorden. Chatten in natuurlijke taal is op zichzelf al heel moeilijk, dat zou ons alleen maar het zicht ontnemen op de interactie.’

Mensen imiteren

Robin ziet eruit als een soort SpongeBob en hij kan twee dingen: chatten (volgens een ingeprogrammeerd vraag-antwoord-model) en door zijn gezichtsuitdrukkingen emoties laten zien. Welke, dat is eveneens in Robin geprogrammeerd. Hoe kan een volledig geprogrammeerde chatbot toch zoiets oermenselijks doen als troosten? Heel simpel, legt Van der Zwaan uit: ‘Door mensen na te doen.’

Modellen

Voor de software achter Robin baseerde zij zich op modellen voor menselijke conversaties waarin emotionele steun wordt verleend. Sommige daarvan zijn ‘uit de leerboeken’, voorgeschreven als effectieve methode om coachingsgesprekken te voeren. Andere zijn afgekeken van honderden informele gesprekken waarin vrienden, kennissen of collega’s elkaar tot steun proberen te zijn. Uit de verschillende modellen destilleerde Van der Zwaan één conversatiemodel, met vragen als ‘wat is er precies gebeurd’, ‘hoe voel je je nu’ en ‘heb je dit al geprobeerd’ en antwoorden als ‘wat rot voor je’, ‘slim dat je de pester geblokkeerd hebt’, en ‘goed dat je over het pesten gepraat hebt’.

Tests

Van der Zwaan heeft de troostende cyberbuddy eerst getest onder honderd studenten, toen onder hulpverleners en ten slotte onder een groep kinderen. Overwegend was men ervan overtuigd dat een gepest kind zich beter zou voelen na het chatten met Robin. De hulpverleners vonden het uiterlijk van Robin te vierkant en onnatuurlijk, de kinderen vonden hem juist leuk. De hulpverleners vonden de combinatie van antwoorden en gezichtsuitdrukkingen extra troostend, de kinderen waren vooral lovend over de praktische tips.

Eerste stap

‘Per saldo lijkt Robin dus een succes als empathische virtuele buddy’, zegt Van der Zwaan. ‘Dit is nog maar een eerste stap. De animaties kunnen veel fraaier en je zou meer variatie in de gesprekken moeten aanbrengen. Maar het onderliggende principe werkt; dat heeft deze studie wel laten zien. Ook mensen die eerst weerstand voelden bij het idee van een virtueel mannetje dat zich met menselijke emoties bemoeit, waren toch “om” als ze met Robin hadden gepraat.’

Taboes

Pesten is niet het enige terrein waar empathische chatbots een rol kunnen spelen. Van der Zwaan: Ik heb expres voor dit onderwerp gekozen omdat kinderen er niet makkelijk met hun ouders over praten. De stap om het onderwerp aan te snijden met een virtuele buddy is minder groot. Taboe-onderwerpen zijn er meer. Denk aan mishandeling, rouwverwerking of eenzaamheid. Of denk aan de inzet van een buddy als coach voor mensen die op dieet zijn, medicijnen moeten innemen of zijn gestopt met roken.’

Doorontwikkelen

Van der Zwaan is nu op zoek naar investeerders met wie zij haar prototype verder kan ontwikkelen. Natuurlijk kan een virtuele buddy nooit echt menselijke contact vervangen, benadrukt ze, laat staan een therapie. ‘Maar in de context van een breder steunpakket kunnen chatbots zeker een rol veroveren, mits ze hartelijk en meelevend zijn. Dat we zulke “warme” virtuele persoonlijkheden kunnen bouwen, heeft mijn onderzoek laten zien.’


Het proefschrift An Empathic Virtual Buddy for Social Support door Janneke van der Zwaan verschijnt in maart.

Bron:  NWO, 4 februari 2014

Cochabamba
Jan. 27, 2014


group

In December 2013, Maaike Harbers visited the MEMI Center for Mathematics and Computer Science in Cochabamba, Bolivia. During her stay, she taught a Multi-Agent Systems course to students associated to the MEMI Center.
A letter from the MEMI Center to the Interactive Intelligence Group:

memi

BNAIC 2013
Nov. 12, 2013

IMG_9848

We organized a negotiation game, which has been held in BNAIC 2013.  According to the negotiation results, Assoc. Prof. Ulle Endriss is the winner of this game. We thank every participants for their help in evaluating the bidding phase of the pocket negotiator.

For more information, see: http://ii.tudelft.nl/negotiation/index.php/Pocket_Negotiator

 

Mobieltje is de beste gids na ramp
Feb. 20, 2013

,,Het is een misvatting dat mensen die een grote ramp meemaken in paniek raken”, zegt rampenonderzoeker Lucy Gunawan. In rampenfilms, ja, maar niet in het echt. ,,Onderzoek leert dat mensen elkaar juist helpen, vindingrijk en veerkrachtig zijn, geen hulpeloze slachtoffers.”

Gunawan (1978) promoveerde vorige week aan de TU Delft op een methode waarmee mensen in het rampgebied met mobieltjes hun rampgebied in kaart brengen. En daarna krijgen ze informatie terug via de mobiele telefoon: route-aanwijzingen naar veilige gebieden of hulpposten.

,,Na grote rampen als aardbevingen en overstromingen is de situatie onzeker en onoverzichtelijk”, zegt Gunawan. Wegen raken onbegaanbaar, gebouwen staan op instorten, de situatie verandert van uur tot uur. Hulpdiensten hebben grote moeite om de binnenkomende informatie te controleren, centraal te verwerken tot een kaart, en om die informatie weer door te spelen aan hulpverleners en bewoners. Ook omdat hun eerste taak mensen helpen is.

Onderzoekster Gunawan testte het idee om het verzamelen van betrouwbare informatie uit te besteden aan mensen die toch al in het rampgebied zijn. De vuurproef van haar systeem was een nagespeelde aardbeving waarbij 72 vrijwilligers zich met hulp van haar rampen-app een weg moesten banen door een ‘rampgebied’, de campus van de TU Delft.

Onderweg moesten ze doorgeven of ze een geblokkeerde weg tegenkwamen, of een gebouw dat zo te zien op instorten stond. Bij gebrek aan echte rampschade hadden de deelnemers een boekje bij zich waarin bijvoorbeeld stond dat de aula scheef hing. ,,Het was een erg leuke dag”, zegt Gunawan over de blijkbaar nogal gestileerde catastrofe, ,,de sfeer was een beetje die van een speurtocht.” Toch denkt ze dat de werkelijkheid niet wezenlijk geweld aangedaan werd. ,,Het ging vooral om het doorgeven van informatie.”

De resultaten van de gecrowdsourcete rampenkaart vergeleek ze met een traditioneel gemaakte kaart. Die kwam uit handen van een goed-ingewerkte operator, die binnenkomende telefoontjes verwerkte. Die informatie ging terug via de radio. De mensen in het rampgebied probeerden zich met papieren kaarten te oriënteren. Gunawan: ,,Met de mobieltjes ging het beter, zeker als je ook methoden gebruikt om in te schatten hoe betrouwbaar de rapportages zijn.”

Maar is juist het mobiele telefoonnetwerk niet een van de eerste slachtoffers van grote rampen, door het wegvallen van elektriciteit of overbelasting? ,,Niet altijd”, zegt Gunawan, ,,en je kunt snel een noodnetwerk op te zetten.” In de toekomst komen daar mogelijk ook peer to peer-netwerken bij, waarin mobiele telefoons direct met elkaar communiceren (zie kader: internet onder mobieltjes).

In haar jeugd in Indonesië was voor Gunawan de dreiging van een ramp nooit ver weg. ,,We woonden vlak bij de actieve vulkaan Merapi. Daar waren ook aardbevingen. Dan ren je meteen naar buiten. Bij een grote aardverschuiving kwamen ook mensen uit ons dorp om. Die ervaringen hebben me wel op dit spoor gezet. Ik wilde mensen helpen.”

Mobiel naar mobiel

MANET heet het onder netwerkonderzoekers: een Mobiel Ad Hoc netwerk, waarin naburige mobieltjes elkaar detecteren, en boodschappen aan elkaar doorgeven, zonder tussenkomst van telefoonmasten en een provider. Het zou ideaal zijn voor scholen en campussen: iedereen die erbij hoort kan dan providerloos en gratis met elkaar bellen.

Zo’n onderling netwerk kan zelfs het telefoonnetwerk of internet op als maar één van de telefoons contact heeft met een telefoonmast en het pas zich aan als een mobieltje buiten bereik raakt.

MANET is nog experimenteel. Er zijn kleinschalige experimenten, gebaseerd op wifi – nog niet op het 3G-protocol dat een groter bereik heeft.

Niet alleen rampenbestrijders zijn geïnteresseerd: het Amerikaanse State Department financierde het open source softwarepakket Commotion, bedoeld voor mobieltjes en laptops die zichzelf automatisch tot netwerk configureren. Vooral bedoeld voor inzet in dictaturen en vijandige gebieden, waar stiekem informatie vandaan gesmokkeld moet worden.

 

 

 

Bron: NRC Handelsblad, Bruno van Wayenburg, 11 February 2013

Mensen in rampgebied geen hulpeloze slachtoffers maar bruikbare informanten
Feb. 04, 2013

Gebruik de mensen die zich in een rampgebied bevinden als informatiebron, in plaats van ze alleen als hulpeloze slachtoffers te zien. Dat werkt voor alle partijen beter. Dit stelt Lucy Gunawan, die op maandag 4 februari op dit onderwerp promoveert aan de TU Delft.Promotie_Gunawan3

Veldsensoren
Het onderzoek van Lucy Gunawan richt zich op de vraag hoe mensen die door een ramp getrof­fen zijn naar een veilige locatie kunnen worden begeleid door gebruik te maken van hun zelfredzaamheid en de beschikbare mobiele technologie. In tegenstelling tot traditionele gecentraliseerde rampbestrijdingsystemen, stelt Gunawan voor om gebruik te maken van een gedecentraliseerd systeem. Daarbij kunnen de mensen in het getroffen gebied zichzelf naar een veilige omgeving leiden maar tegelijkertijd dienen ze als ‘veldsensoren’ om informatie over de rampsituatie te delen.

Catastrofe-sociologie
Gunawan: ‘Uit de literatuur op het gebied van catastrofe-sociolo­gie, blijkt dat mensen in een rampgebied lang niet altijd hulpeloze slachtoffers zijn. Het zijn veelal capabele personen die rationeel en proactief opereren op een saamhorige en behulpzame manier. Ze kunnen zelfs in staat zijn om ten tijde van een crisissituatie creatief om te gaan met alle voorhanden zijnde technologieën.’

‘Deze personen, die dus ooggetuigen zijn en verspreid over het rampgebied, vormen de grootste groep in het getroffen gebied. Hierdoor vormen deze personen een groot potentieel als hulpmiddel om eerstehands informatie over de rampsituatie te verzame­len.’

Navigatie- en kaartsysteem
Cruciaal in deze situaties is ten eerste een goed navigatiesysteem, dat voldoende en flexibele begeleiding biedt, ondanks de veranderde omgeving in het rampgebied. De eerste studie die Gunawan deed was een veldexperiment met een mobiel navigatiesysteem dat alleen maar de richting van de bestemming aangaf en eventueel elementaire navigatie-aanwijzingen verschafte. De resultaten tonen aan dat een simpele navigatie-aanwijzing in de vorm van een pijl voldoende is om personen naar een specifieke bestemming te leiden. Ten tweede, moet de informatie van de verschillende personen op een betrouwbare wijze gebundeld worden in een gezamenlijke kaart. Gunawan toonde aan dat een goede kaart gemaakt wordt door individuele bijdragen met betrouwbaarheidsindicaties eenvoudig en consistent te laten invoeren.

Ramp nagebootst
Gunawan voerde verder onder meer een uitgebreide gecontroleerde veldstudie uit waarbij een ramp in Delft werd nagebootst. Meerdere deelnemers speelden op verschillende locaties (in het veld en in het informatiecentrum) tegelijkertijd verschillende rollen (de getroffen bevolking en operatoren), terwijl ze gebruik maakten van verschillende hulpmiddelen (mobiele tel­efoon, desktop computer) en applicaties.

‘Het doel van deze studie was om het voorgestelde systeem te vergelijken met een traditionele gecentraliseerde systeem. De resultaten van deze studie tonen dat het voorgestelde systeem superieur was aan het traditionele systeem in het veilig begeleiden van de getroffen bevolking naar de bestemming, het helpen van de operators om een beter bewustzijn van de situatie te bewerks­telligen en het verlagen van de werkdruk van de operators’, zegt Gunawan.

‘Mijn onderzoek zou de basis kunnen vormen voor een volgende generatie rampenbestrijdingssystemen.’

Nadere informatie:
Lucy Gunawan: promovendus Interactive Intelligence, faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica, TU Delft: nike.gunawan@gmail.com

Mark Neerincx, hoogleraar Interactive Intelligence, faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica, TU Delft: mark.neerincx@tno.nl

 

Bron:  http://www.tudelft.nl/nl/actueel/laatste-nieuws/artikel/detail/mensen-in-rampgebied-geen-hulpeloze-slachtoffers-maar-bruikbare-informanten/

 

Onderzoekers organiseren filmpjeswedstrijd
Jan. 08, 2013

Positieve aandacht vestigen op de combinatie techniek, zorg en ouderen. Dat is het doel van de iCare-filmpjeswedstrijd, een idee van postdoconderzoekster Alina Pommeranz.

Alina Pommeranz werkt sinds mei 2012 aan de TU als postdoc (Foto: Hani Alers)

Alina Pommeranz werkt sinds mei 2012 aan de TU als postdoc (Foto: Hani Alers)

De groep van Pommeranz, de Health Experiencegroep (faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatica), richt de oproep voor het maken van filmpjes over de combinatie techniek, zorg en ouderen aan jongeren tussen 16 en 25 jaar uit de regio Delft. Zij kunnen voor het filmen gewoon hun mobieltje gebruiken. Pommeranz: “We beoordelen de filmpjes puur op de inhoud.”

Volgens Pommeranz bestaan er ten onrechte veel negatieve beelden van hoe ouderen met techniek bezig zijn. “Veel ouderen zijn er zeker in geïnteresseerd om up to date te blijven, zodat ze bijvoorbeeld via een tablet kunnen skypen met hun kleinkinderen. Natuurlijk zijn er mensen die dat minder hebben, maar dat komt deels doordat ze er niet aan gewend zijn.”

Met de iCare-competitie wil Pommeranz laten zien dat het kan om als oudere bij te blijven. “Al hebben we maar een paar voorbeelden, het zou zeker helpen.” De onderzoekster denkt dat het belangrijk is het gebruik van techniek door ouderen en in de zorg van ouderen te promoten, omdat het de toekomst heeft. “De gezondheidszorg wordt duurder en er komen steeds meer oudere mensen, we kunnen er niet omheen.”

De Health Experiencegroep, die in oktober 2012 is opgericht en waarvan Pommeranz deel uitmaakt, doet onderzoek op dit gebied. Er lopen verschillende projecten, zoals Care@home, een smart-tv met allerlei diensten erop. Te denken valt aan communicatie met zorgverleners, familie en vrienden, entertainment en online winkelen. Een ander project heet ‘I don’t fall’ en richt zich op het monitoren van de mate van activiteit van een oudere in zijn eigen huis. Beweegt iemand zich weinig, dan zijn zijn spieren minder sterk, wat de kans op vallen vergroot.

De groep ontwikkelt deze technieken en diensten samen met belanghebbenden. Pommeranz noemt dat participatory design. Een voorbeeld waar zij momenteel zelf aan werkt, is een communicatiemiddel voor kinderen met het Angelmansydroom. “In het kinderziekenhuis werk ik samen met doktoren en patiënten aan een ontwerp.” In de Delftse wijk Voorhof, in wijkcentrum De Vleugel, werkt de HEX-groep ook aan het opzetten van een living lab. Daar kunnen technieken in de praktijk worden getest.

Filmpjes kunnen tot 15 februari worden opgestuurd via de website van de HEX-groep. 13 maart is de prijsuitreiking.

 

bron: Delta:  http://www.delta.tudelft.nl/artikel/onderzoekers-organiseren-filmpjeswedstrijd/26129?fb_action_ids=10151404729211639&fb_action_types=og.likes&fb_source=aggregation&fb_aggregation_id=288381481237582

Tweakers videoreport on the INSYGHTLAB opening online
Dec. 13, 2012

Last week, the Tweakers video crew visited the recently opened INSYGHTlab to do a videoreport on the facilities and some of the research that  goes on there.

Today the full videoreport was posted on the Tweakers website:

 

TU Delft opent lab voor interactieve intelligentie
Nov. 14, 2012

De TU Delft neemt vandaag het INSYGHTLab in gebruik, waar een groot aantal technieken op het gebied van interactieve intelligentie, multimedia signaalverwerking en patroonherkenning zal worden ontwikkeld.

INSYGHTlab is uitgerust met de modernste hardwaresetups voor de diverse technologieën. Bij de opening van het lab zijn meer dan twintig demo’s van allerlei toepassingen te volgen.

Een voorbeeld uit het INSYGHTLab is de 3D-tafel. Op deze tafel kan men allerlei gebeurtenissen zeer precies simuleren. Deze simulaties zijn via een speciale bril door de omstanders in 3D te volgen. Dit kan handig zijn voor groepen onderzoekers. Via de 3D-tafel is bijvoorbeeld een overstroming (en de gevolgen daarvan) in allerlei varianten te laten zien. Ook een operatie is in 3D te simuleren en te volgen.

Een andere opstelling in het lab betreft Visual Perception & Eye Tracking. Daarbij is te zien hoe een computer willekeurige objecten kan volgen (tracken) in een live video. Dit kan interessant zijn in bijvoorbeeld de beveiliging: kunnen we een overvaller automatisch volgen via beveiligingscamera’s door het centrum van Rotterdam?

Onlangs kreeg eurocommissaris Neelie Kroes al een voorproefje van het INSYGHTLab. Ze kreeg een presentatie over vier informatica-onderzoeken waaraan bij de TU Delft wordt gewerkt. Het ging om toepassingen als visualisatie van open data, gepersonaliseerd gebruik van reisdata en de bescherming van de privacy.

 

bron:  http://www.emerce.nl/nieuws/tu-delft-opent-lab-interactieve-intelligentie

 

Smart CCTV knows when you need shopping advice
Oct. 25, 2012

ARE you enjoying your shopping experience? Video surveillance systems might soon be answering that question for you. CCTV security cameras are a familiar fixture in shops, but the same cameras can also be used to track and analyse your browsing habits.

Mirela Popa at Delft University of Technology in the Netherlands and colleagues are developing software that can automatically categorise shoppers’ behaviour using video footage from the fisheye cameras that many retail outlets have on their ceilings.

For example, the system can tell if customers appear to be disoriented, are looking around for a specific product, or are heading purposefully towards a particular section. When a customer seems in need of assistance, a member of staff can be directed to them. The aim is to help customers and increase retailers’ profits, says Popa, who hopes the technology will lead to better customer service. “If I don’t find what I’m looking for, I leave the shop,” she says.

“This could be extremely valuable in terms of how to judge when a customer needs help,” says Patrick O’Brien of retail analysts Verdict Research in London, UK. “In a busy shop it’s difficult to know who it would be most productive to help next.”

By installing additional cameras at eye level among shop displays, Popa’s system can also build up a detailed picture of how a shopper interacts with particular products, providing instant feedback for retail analysts. In a mock-up shop in their lab, with volunteers posing as shoppers, the system was able to identify specific browsing behaviours, including what items were picked up or put back, or when shoppers tried clothes on.

The technology is based on motion-detection algorithms that track people’s movements. It then learns patterns, based on what it has observed, that can be used to predict future customers’ behaviour, says Popa.

The team reports an overall accuracy of 85 per cent in categorising customers’ behaviour. They presented the latest version of the work at the International Conference on Image Processing in Orlando, Florida, this month.

But even if such technology could lead to a better experience for customers and retailers, will people accept a greater level of intrusion? The team conducted an early trial in a supermarket in Eindhoven, the Netherlands and, according to Popa, people have been positive so far. “I think that life is changing,” she says. “You can’t do anything about that.”

“The real challenge is in turning that data into something of value,” says Tim Denison, director of retail intelligence at Ipsos Retail Performance in Milton Keynes, UK, and co-founder of Retail Think Tank. He believes it is a challenge that’s about to be met.

Within two years, video analysis systems that monitor consumer behaviour could be cost-effective for many retailers. He notes that there are already smart billboards with built-in cameras that use visual cues to guess whether you are male or female, and display a different advert accordingly.

As for privacy, Denison is pragmatic. “If it’s clear both consumer and retailer derive benefit from the technology, then it’s fair game,” he says. “A win-win scenario.”

Benefits to retailers are obvious: more customers, and more profit. Consumers could enjoy better customer service – the system can predict when a shopper appears to be in need of help – and improved shop layouts and displays that make it easier to find products.

Volker Roth at the Free University of Berlin, Germany, is less sanguine: “In general, any work that targets and profiles users, potentially without their consent or awareness, has a significant privacy dimension.” He adds that many of the people being tracked may not value any improvement in customer service above their own privacy.

 

19 October 2012 by Douglas Heaven

 

Bron: http://www.newscientist.com/article/mg21628875.200-smart-cctv-tracks-consumers-as-they-shop.html

 

 

Virtual character against cyber bullying
Sep. 17, 2012

 

Name: Janneke van der Zwaan (30)
Nationality: Dutch
Supervisor: Prof. Catholijn Jonker (Faculty of Electrical Engineering, Mathematics and Computer Science)
Subject: A virtual character that provides emotional support to victims of cyber bullying
Thesis defense: In 1,5 years

Read more: http://www.delta.tudelft.nl/article/virtual-character-against-cyber-bullying/25640

 

 

 

Beleidsondersteuning door Agent-Based simulaties
Jul. 19, 2012


door Frank Dignum, Virginia Dignum en Catholijn Jonker

De beleidsmaker heeft het op dit moment niet gemakkelijk. Allerlei ideeën voor maatregelen die er op het eerste gezicht goed uitzien pakken slecht uit als men ze invoert. Denk bijvoorbeeld aan de invoering van het verbod op roken in openbare ruimtes. Dit werd ook ingevoerd in andere Europese landen zoals Italië. Daar lijkt het perfect te werken en gaan mensen gewoon buiten staan roken. Maar in Nederland wordt het verbod op grote schaal overtreden, de inspectie heeft niet de menskracht om het verbod af te dwingen, de café-eigenaren klagen over een achteruitgang in hun omzet, en de reguliere cafébezoeker begrijpt ook niet waarvoor het nodig is. Daarnaast worden bij restaurants en cafés de terrassen overdekt en voorzien van kachels die extra kosten met zich meebrengen voor de eigenaar en niet goed zijn voor het milieu. Dat kan anders!
In de toekomst kunnen beleidsmaatregelen ontwikkeld worden door de wisdom of the crowd op een gefaseerde en beheerste manier in te zetten met behulp van computersimulaties. Voor elk gebied waarop beleid ontwikkeld moet worden, zijn er zogenaamde ‘agent-base d simulations’ beschikbaar waarin nieuwe beleidsmaat-regelen uitgespeeld kunnen worden om inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van die maatregelen. Aangezien agent-technologie en kunstmatige intelligentie in de komende 25 jaar, naar onze mening, nog niet in staat zijn om over willekeurige onderwerpen zinnig te redeneren, kunnen deze agent-simulaties niet direct uitspelen hoe een nieuwe maatregel kan uitwerken in de maatschappij.
Om dit op te vangen, maken beleidsmakers gebruik van focusgroepen van de doelgroepen op wie de maatregel effect zou moeten hebben. Met die focusgroepen wordt doorgesproken hoe zij verwachten dat mensen van hun doelgroep op die maatregel zouden reageren. Bovendien worden ook de uitvoerders van de maatregel in zulke focusgroepen om hun mening gevraagd. De feedback die op deze manier verzameld is, wordt voorgelegd aan experts op het gebied van sociologie, psychologie en culturele psychologie. Met behulp van deze experts wordt uitgezocht hoe de reacties in de focusgroepen te relateren zijn aan persoonlijkheidskenmerken, sociale netwerken en culturele achtergrond. Deze kenmerken en relaties worden vervolgens aan de agent-populatie in de agent-based simulatie toegekend, waarmee deze agents in de simulatie nu wel in staat zijn om realistisch te reageren op de nieuwe maatregelen.
Vervolgens worden simulaties gedraaid met alleen agents om te zien wat de mogelijke uitwerking op de maatschappij zou kunnen zijn. Op grond van de inzichten die aldus worden verzameld, kan de beleidsmede-werker de beleidsmaatregel aanpassen. Aanpassingen vragen om een herhaling van bijeenkomsten met de focusgroepen en de experts. Voor de beleidsmaatregel daadwerkelijk wordt ingevoerd, wordt nog een simulatie gespeeld waarin de participatie van een willekeurige steekproef uit de bevolking gevraagd wordt. Ook deze laatste simulatie is gebaseerd op de agent-based sirnulation, maar nu in een variant waarin mensen via het internet aan de simulatie mee kunnen doen, zoals zij ook nu via het internet met elkaar spelen in bijvoorbeeld World of Warcraft. Zo kan een simulatie op het tempo van mensen worden gespeeld en naar believen eenmalig een uurtje of een paar dagen achter elkaar een uurtje gespeeld worden. Als de maatregel ook in deze simulatie naar behoren werkt, dan kan de maatregel daadwerkelijk worden ingevoerd. Als dat niet zo is, kan de beleidsmaker de maatregel aanpassen en opnieuw met de focusgroepen en simulaties aan het werk.

Over de auteurs
Catholijn Jonker en Virginia Dignum zijn verbonden aan respectievelijk de faculteit Elektrotechniek, Wiskunde en Informatie, en Techniek, Bestuur en Management van de TU Delft. Frank Dignum werkt bij het Institute of Information and Computing Sciences van de Universiteit Utrecht.

 

bron: “Samen Slimmer” door Maurits Kreijveld

Het is een soort tijdmachine
Jul. 19, 2012

 

Dr.ir. Willem-Paul Brinkman (EWI) ontwikkelt computerprogramma’s die patiënten helpen bij het verwerken van trauma’s. Bij de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR) loopt nu een proef met mensen die tijdens hun jeugd seksueel misbruikt zijn.
Willem-Paul Brinkman met op de achtergrond het programma voor volwassenen die in hun jeugd seksueel misbruikt zijn. (Foto: Tomas van Dijk)

Hoe werkt het programma?
“Patiënten bouwen de omgeving waar het misbruik plaatsvond na in een virtuele wereld. Dit dwingt ze om te graven in het geheugen. Mensen proberen niet te denken aan nare gebeurtenissen. Maar de herinneringen worden minder pijnlijk als je vaker aan het voorval terugdenkt.”

Hoe bent u op het idee gekomen?
“Een student van me, Matthew van den Steen, is een paar jaar geleden begonnen met het maken van een dergelijk programma voor militairen met posttraumatische stress-stoornis (PTSS). Een psychiater van het leger vertelde ons dat ze bij PTSS-therapie in het leger werken met flip-overs waarop soldaten poppetjes en gebouwen kunnen tekenen om de situatie te reconstrueren.”

Dat moest beter kunnen, dachten jullie?
“Met ons programma kun je de situatie veel nauwkeuriger reconstrueren. Je kunt hele dorpjes in Afghanistan, Joegoslavië, of waar dan ook nabouwen en vanuit een ander perspectief naar de gebeurtenis kijken. Dan kan zomaar ineens blijken dat een soldaat, die dacht dat hij zijn vriendjes te hulp had kunnen schieten, veel te ver weg was daarvoor. Memory restructuring heet dit process. En het programma heet military multi-modal memory restructuring (4MR) system.”

En met het programma kunnen soldaten ook een dagboek maken.
“Het programma fungeert als een soort tijdmachine. Horizontaal loopt er een tijdsbalk. De patiënt en therapeut kunnen de gebeurtenissen uit het verleden visualiseren door persoonlijke foto’s, online geografische kaarten, webcam-snapshots, en de driedimensionale virtuele werelden te koppelen aan die tijdsbalk.”

Op verzoek van psychologe, Elke Geraerts van de EUR, heeft u toen een programma gemaakt voor volwassenen die seksueel misbruikt zijn in hun jeugd. Helpen uw programma’s nu slachtoffers om met hun trauma’s om te gaan?
“Nou nee. Het is best lastig om verandering teweeg te brengen in therapieland. Ook moet nog klinisch worden aangetoond dat de therapieën werken. De pilot bij de EUR lijkt hoopgevend. Als we aantonen dat het werkt, kunnen we om extra financiering vragen. De programma’s hebben nu nog best veel beperkingen. Therapeuten vinden het lastig om daar mee om te gaan. Ze zijn nu eenmaal geen computer scientists. (Lacht) Het is allemaal begonnen als een vingeroefening en het is ons nu behoorlijk boven het hoofd gegroeid.”

En het programma voor het leger?
“Dat wordt alleen door de psychiater gebruikt met wie we vanaf het begin af aan contact hebben. Er is geen geld om het verder te ontwikkelen. En je kunt moeilijk wat soldaten uit de kazerne trekken en die als een soort onderzoeker in opleiding aan het programma laten werken.”

Dat kan met studenten van de TU wel.
“Ja. In februari begint een nieuw informaticavak. Ik geef studenten dan de opdracht om vier programma’s te ontwerpen; voor volwassenen die seksueel misbruikt zijn in hun jeugd, militairen met posttraumatische stress-stoornis, burgerslachtoffers van oorlog en mensen die een vliegramp hebben meegemaakt. De programma’s moeten van het internet te downloaden zijn en zo stabiel zijn er niet een hele helpdesk aan te pas hoeft te komen om patiënten en therapeuten bij te staan. Ik zoek nog twee student-assistenten.”

 

bron: Delta, vol 44, nr 3

 

Women on the rise
Jul. 19, 2012

 

Dr Judith Redi, originally from Italy, is a newly appointed assistant professor in the EEMCS faculty.
Assistant professor Dr Judith Redi: “I think in general that I like competition, otherwise I wouldn’t be here.” (Photo: Sam Rentmeester)

At the top of the EEMCS building, Dr Judith Redi and I were speaking as though we had been regularly meeting over the last few weeks to work on our semester-long assignment. There was a used student couch on one side of the room and papers strewn across every work surface. Then again, the 29-year-old Redi and I were in her professional office, where, as an assistant professor of computer science, she mentors students like me and develops top-level plans for the future of the visual experience. For Redi, the path from student to professor was not without its ups and downs, and was, as it happens, the result of the right set of circumstances.

The largest opportunities emerge from behind a smoke screen after seemingly endless periods of obscurity. During her Master’s project at the University of Genoa in Italy, Redi’s advisor approached her to test her interest in a PhD. “It’s not like I always had some higher ability to do research, but I liked it,” Redi says. “I was finally doing something explorative. On the other hand, I have to admit, I didn’t have clear ideas on what I wanted to do.”

For Redi, organizational stress during her doctoral years hid what would later prove to be a productive chapter in her ever-evolving career in academia. Of her PhD supervisor, Redi joked, “I always thought he needed a secretary.” A more sober analysis of the situation was that the quality of her publishable work was not of interest to her PhD supervisor. “He needed a student because they needed some workforce in the lab.”

Her tumultuous PhD years were buoyed by external experiences and, in particular, a professional guide. Two internship in the Netherlands, one at Philips and one at TU Delft, gave her a valuable perspective on her force in research. “Every opportunity to leave was great for me,” she recalls. “It was pretty tough, my PhD. I was really alone, left by myself, except for this one person from Philips who supervised me.” That person was Professor Ingrid Heynderickx, whom Redi openly cites as her mentor.
By the end of her PhD period in 2010, the University of Genoa recognized Redi’s work with the award for the best PhD thesis in the ICT domain. Ever playing down her strengths, Redi says, laughing: “I don’t know exactly how they did it, but they decided that mine was the best.”

After finishing her PhD research in December 2009, Redi was waiting to defend her dissertation the following April. In the meantime, she attended a conference where Prof. Heynderickx suggested that she apply for an open assistant professorship position in her department. “I was like, I don’t even have my title yet!” Redi says.
Having been guided by her mentor through the academic maze, Redi is taking well to her role as an assistant professor at TU Delft. She will soon be teaching a seminar on Interactive Intelligence, co-teaching Visual Perception for Displays and Lighting, and the Neural Networks course, which will be entirely hers next year.
The old adage goes: when life gives you lemons, make lemonade. Redi is seemingly the proof that even the largest lemon can morph into new possibilities. Despite the difficult path to professional success, and recognition, Redi has proven that she is afraid of no challenge: “I think in general that I like competition, otherwise I wouldn’t be here.”

 

 

bron: Delta, vol 44, nr, 14

 

Syndicate content